Merkwaardig boekje over strips
The aesthetics of comics is een merkwaardig boekje van de filosoof en kunsthistoricus David Carrier. Carrier stelt dat iedereen strips snapt en dat getheoretiseer niet nodig is (2). Het nut van het boekje is gezien dat denkbeeld niet helder. De auteur lijkt een wat eenzijdige visie op de strip te hebben als medium vooral voor kinderen; hij gaat voorbij aan veel belangrijke ontwikkelingen in de laatste eeuw. Ook gaat hij voorbij aan de andere literatuur die over strips is verschenen. De literatuurlijst biedt dan ook nauwelijks inzicht in de massa boeken en artikelen over strips.
De auteur hecht veel waarde aan de tekstballon als het centrale element van de stripbeeldtaal. Als iets geen tekstballonnen heeft is het ook geen strip volgens Carrier. Hij diskwalificeert hiermee niet alleen de tekstloze strip, maar ook de tekststrip, waar Nederland een rijke traditie van kent, van Eric de Noorman tot Bommel. Ook een klassieker als Prince Vailliant is volgens deze opvatting geen strip.
Carrier stelt dat de strip geen wezenlijke ontwikkeling heeft meegemaakt in de laatste eeuw: de tekstballon en het verhaal in sequenties zouden volgens hem steeds hetzelfde zijn gebleven, wat volgens Carrier dus betekent dat de strips ‘are now [what] they were already in the beginning’ (115). Het lijkt me een weinig interessante visie op de strip. Dat er een wezenlijk verschil is tussen zeg een Popeye-strip van Segar en een eenentwintigste-eeuws werk van Chris Ware, wordt niet duidelijk in het betoog van Carrier. Volgens hem zijn strips niet gelaagd en voor iedereen makkelijk te begrijpen.
Wel interessant is het gegeven dat hij de strip als een soort eindfase in de ontwikkeling van de kunst ziet, omdat in strips de gedachten en acties van figuren worden gegeven, iets wat in voorafgaande kunstuitingen niet kon. Jammer genoeg werkt hij dit denkbeeld niet bevredigend uit.
Het boekje behandelt weinig strips in concreto, op Krazy Kat na. Een hele theorie gebaseerd op de studie van een enkele strip lijkt me niet houdbaar. Het werk moet vooral als een vrijblijvend kunsthistorisch essay worden gezien, waarin de auteur (niet gehinderd door veel kennis van het medium strip) wat niet houdbare theorieën spuit.
Het zou interessant geweest zijn als de auteur daadwerkelijk op de wisselwerking tussen beeldende kunst en strip was ingegaan. Dan had het werk van een Lyonel Feininger aan bod kunnen komen, of een ‘arty’ strip als ‘Krijtlijn’ van Prado. En ook de rol van tekstballonnen op middeleeuwse afbeeldingen had aangestipt kunnen worden. Kortom: de geschiedenis van de strip als kunstzinnig medium had veel beter in de verf gezet kunnen worden. Nu is dit boek vooral een gemiste kans.
David Carrier, The aesthetics of comics, ISBN 0 271 01962 X.